Deze pagina biedt aanvullende informatie over het onderzoeksprogramma en geeft antwoord op een aantal veelgestelde vragen. Gedurende het onderzoek zal onderstaande lijst steeds worden bijgewerkt. Heeft u nog andere vragen, neem dan contact op via info@ind45-50.nl.

1. Achtergrond en inhoud van het onderzoek

a. Hoe is dit onderzoek ontstaan?
Naar aanleiding van terugkerende berichten in de media over oorlogsmisdaden door Nederlandse militairen, de rechtszaken die de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden (KUKB) namens de nabestaanden van slachtoffers aanspande tegen de Staat der Nederlanden en de daaropvolgende excuses van de Nederlandse regering aan het Javaanse dorp Rawagede, pleitten KITLV, NIMH en NIOD in 2012 (opinieartikel in de Volkskrant van 19 juni dat jaar) voor een breed onderzoek naar het Nederlandse militaire optreden in Indonesië en de nasleep daarvan. In de media werd dit pleidooi uitgebreid en overwegend instemmend besproken. Het gaf ook aanleiding tot Kamervragen. In zijn reactie liet het kabinet-Rutte I weten de noodzaak van een overheidsopdracht niet te zien, maar ook geen principiële bezwaren te hebben tegen het onderzoek.

In augustus 2012 dienden KITLV, NIMH en NIOD een onderzoeksvoorstel en een verzoek om cofinanciering in bij het Kabinet. Bij de begrotingsbehandeling van zijn departement op 19 december 2012 maakte minister van Buitenlandse Zaken Timmermans namens het kabinet Rutte II bekend het verzoek om aanvullende financiële middelen niet te honoreren. Als reden voerde de minister aan dat nader overleg hem duidelijk had gemaakt dat Indonesië dit onderzoek niet zou steunen, waardoor de gewenste internationale inbedding zou ontbreken. De drie instituten besloten hierop om de voorbereidingen voor een gezamenlijk onderzoeksproject naar het Nederlands militair geweld in Indonesië in de jaren 1945-1950 stop te zetten, maar voor zover mogelijk het onderwerp wel op de eigen onderzoeksagenda te laten staan.

Op grond van onderzoek in egodocumenten van Indië-veteranen publiceerde Gert Oostindie (KITLV) het boek Soldaat in Indonesië (2015). Tegelijkertijd verschenen tal van publicaties van onderzoeksjournalisten. Nog meer aandacht trok de dissertatie De brandende kampongs van Generaal Spoor (2016) van de Nederlands-Zwitserse historicus Rémy Limpach (NIMH). Limpach concludeerde op grond van uitvoerig bronnenonderzoek dat extreem geweld door Nederlandse militairen tegen Indonesiërs wijdverspreid was, structureel deel uitmaakte van de militaire operaties van de Nederlandse strijdkrachten en bovendien door de militaire en civiele autoriteiten veelal werd verhuld.

Onder verwijzing naar Limpachs conclusies en na navraag van premier Rutte bij de Indonesische president Widodo – die aangaf geen bezwaar te hebben tegen dergelijk onderzoek – besloot het Kabinet eind 2016 tot financiering van een uitgebreid en onafhankelijk onderzoek naar de dekolonisatieoorlog in Indonesië. De regering vroeg KITLV, NIMH en NIOD met een onderzoeksvoorstel te komen; het door de drie instituten ingediende voorstel is vervolgens gehonoreerd.
 

b. Wat is het doel van dit onderzoek en voor wie is het bedoeld?
In algemene zin is het voor elk land van belang te reflecteren op het eigen verleden: wat ging er vooraf aan ons heden, hoe zijn we geworden wat we zijn? Hierover wordt de laatste decennia in breed maatschappelijk verband steeds vaker gesproken, waarbij ook de koloniale geschiedenis in toenemende mate onder de aandacht wordt gebracht – mede door migranten uit de voormalig koloniën en hun nakomelingen – als wezenlijk onderdeel van die nationale geschiedenis. De reflectie op de dekolonisatieoorlog in Indonesië past in deze trend. Een breed onderzoek hiernaar dient dus niet alleen een wetenschappelijk maar ook een maatschappelijk doel.

Het streven is een geschiedschrijving die aan verschillende perspectieven recht doet en de periode 1945-1950 binnen de koloniale context beziet. Het onderzoek heeft geen bemoeienis met (lopende) rechtszaken en schadeclaims. Wel zullen uiteraard kwesties van verantwoordelijkheid en schuld – van het niveau van politieke besluitvorming tot het niveau van individuele oorlogshandelingen – expliciet aan de orde komen.

De uitkomsten van het onderzoek zijn, behalve voor de wetenschappelijke wereld, vooral bedoeld voor de Nederlandse samenleving. Dit geldt in het bijzonder voor groepen die zich sterk verbonden voelen met deze geschiedenis – zoals mensen van Indische of Molukse afkomst, veteranen en hun (klein)kinderen – maar ook iedereen die zich vragen stelt over het koloniale verleden van Nederland. Een deel van de publicaties van het project zal in het Indonesisch of Engels verschijnen en kan daardoor wellicht een rol spelen in Indonesische reflecties op dit verleden; dat is echter geen doelstelling van het project.
 

c. Komt dit onderzoek niet veel te laat?
Ja, dit grootschalige onderzoek komt laat. Reflectie op het koloniale verleden en in het bijzonder de dekolonisatieoorlog in Indonesië heeft tegenwoordig zowel maatschappelijk als wetenschappelijk een veel hogere prioriteit dan voorheen. Hoe en waarom deze prioriteit is verschoven , is een belangrijke vraag van het project Maatschappelijke nasleep.

Uiteraard had het onderzoek beter eerder van start kunnen gaan, bij voorkeur toen er nog veel meer getuigen in leven waren. Binnen het onderzoeksprogramma richt het deelproject Getuigen & Tijdgenoten zich daarom speciaal op het verzamelen van de ervaringen van betrokkenen die er nog zijn in Nederland, Indonesië en eventueel andere landen. Reeds eerder afgenomen (mondelinge of schriftelijke) getuigenissen, zoals de collecties van de Stichting Mondelinge Geschiedenis Indonesië (SMGI), het Interview Project Nederlandse Veteranen (IPNV) en het Arsip Nasional Republik Indonesia (ANRI) worden geïnventariseerd en in het onderzoek betrokken.
 

d. Is er al niet voldoende onderzocht en gepubliceerd?
Nee, veel vragen zijn nog steeds niet (afdoende) beantwoord en er is maatschappelijk nog steeds veel om dit onderwerp te doen. In de verschillende deelonderzoeken zullen nieuwe onderzoeksvragen worden gesteld, oude veronderstellingen worden geconfronteerd met nieuwe bevindingen en zal er, meer dan voorheen het geval was, aandacht zijn voor verschillende bronnen en perspectieven. Hierdoor kan een grondiger en rijker geschakeerd beeld van deze periode worden geschetst. De resultaten van dit onderzoek kunnen ertoe bijdragen dat in debatten minder vaak ongefundeerde meningen naar voren worden gebracht.

Recent onderzoek, zoals dat van Rémy Limpach, toont aan dat Nederlandse militairen (met inbegrip van militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, KNIL) tijdens de dekolonisatieoorlog op grote schaal extreem geweld hebben gebruikt. Tegelijk blijven er nog veel vragen bestaan over de aard, omvang en oorzaken van dit geweld. Mogelijk komen er nieuwe gevallen naar boven. Daarnaast is het van belang dat het functioneren van de militaire rechtspraak, de inlichtingendiensten en ook de Bersiap systematisch worden onderzocht, want dat is niet eerder gebeurd. Ook door het gebruik van internationale bronnen en getuigenissen en de samenwerking met Indonesische onderzoekers verwachten we tot nieuwe inzichten te komen. Onder andere als het gaat om de vraag hoe het komt dat zo lang niet naar de geweldexplosies is gekeken.
 

e. Hadden de drie instituten dit onderzoek niet zelf al eerder kunnen en moeten uitvoeren?
Ja, achteraf kan worden vastgesteld dat ook KITLV, NIMH en NIOD zelf eerder en meer onderzoek naar deze periode hadden kunnen en moeten uitvoeren. Dat wil overigens niet zeggen dat zij géén onderzoek hebben verricht. Een aantal gezaghebbende studies over dekolonisatie en oorlog die nu als basis voor verder onderzoek dienen, zijn gepubliceerd door onderzoekers van de drie instituten. Bovendien hebben de instituten de afgelopen decennia belangrijke bronnenverzamelingen aangelegd en geproduceerd – waaronder interviewcollecties – die van wezenlijk belang zijn voor het onderzoek. Uiteraard moesten de instituten ook ander onderzoek verrichten, waarbij andere prioriteiten werden gesteld; hieruit mag blijken dat hun onderzoeksagenda ook maatschappelijk bepaald werd en nog steeds wordt. De thans verkregen financiering van overheidswege geeft voor het eerst ruimte de dekolonisatieoorlog in gezamenlijk verband en in samenwerking met Indonesische historici grondig te onderzoeken.

2. Onafhankelijkheid

a. De regering betaalt dus bepaalt?
Nee, dit is een onafhankelijk onderzoek dat weliswaar door de regering wordt gefinancierd, maar niet gecontroleerd. Het is dan ook geen regeringsopdracht. Onder verwijzing naar Limpachs conclusies besloot het kabinet op 2 december 2016 tot financiering van een uitgebreid en onafhankelijk onderzoek naar de dekolonisatieoorlog in Indonesië. KITLV, NIMH en NIOD hebben hierop een onderzoeksvoorstel geformuleerd, waarvan de contouren in 2012 al waren geschetst. Dit voorstel is met de overheid besproken en uiteindelijk gehonoreerd.

In de subsidiebeschikking is uitdrukkelijk bepaald dat de drie instituten het onderzoek onafhankelijk uitvoeren, zonder enige bemoeienis van de financier. Zij houden zich ook in dit onderzoeksprogramma aan de eisen van onafhankelijke wetenschapsbeoefening. Het KITLV en NIOD zijn instituten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het NIMH valt onder het ministerie van Defensie maar is een zelfstandig instituut dat volgens de geldende wetenschappelijke normen historisch onderzoek verricht en daarover publiceert. Die zelfstandigheid houdt in dat de publicaties van het NIMH niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen. Uiteraard moet de leiding van het onderzoeksprogramma een financiële verantwoording afleggen zoals gebruikelijk bij elk gesubsidieerd project. Er is een onafhankelijke internationale Wetenschappelijke Adviescommissie ingesteld die gedurende het programma de onderzoeksvoorstellen en de resultaten op wetenschappelijke kwaliteit beoordeelt.

b. Wat is de relatie tussen het onderzoek en de rechtszaken tegen de Nederlandse staat?
De enige relatie is dat de rechtszaken van Indonesische weduwen tegen de Nederlandse staat, gecombineerd met terugkerende berichten in de media, in 2012 voor de drie instituten aanleiding waren op te roepen tot een breed onderzoek. Het KITLV-NIMH-NIOD onderzoek staat los van het historische verificatieonderzoek betreffende claims dat het NIMH uitvoert op verzoek van de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken.

3. Opzet en werkwijze van het onderzoek

a. Hoe is de verdeling van de deelprojecten tussen de instituten bepaald?
De verantwoordelijkheid voor het gehele onderzoeksprogramma ligt ongedeeld bij de drie instituten. Op inhoudelijke gronden zijn deelprojecten geformuleerd. Deze zijn verdeeld op basis van de expertise van de drie afzonderlijke instituten. Het KITLV is onder meer gespecialiseerd in Indonesië en postkoloniale thema’s en neemt daarom de projecten Geweld, bersiap, berdaulat - Transitie 1945-1946, Regionale studies en Maatschappelijke nasleep voor zijn rekening. Het NIMH heeft als expertise militaire geschiedenis en voert daarom het deelproject Asymmetrische oorlogvoering uit. Vanwege zijn ruime ervaring met getuigenprojecten en onderzoek naar politiek bestuurlijke vraagstukken zijn de projecten Getuigen & Tijdgenoten en Politiek-bestuurlijke context bij het NIOD ondergebracht.

b. Wat is de staat van de projectvoorstellen die op de website staan?
De projectvoorstellen worden gaandeweg het onderzoek steeds bijgewerkt en aangescherpt. Voor elk wetenschappelijk onderzoek geldt dat bij voortduring gereflecteerd wordt op de onderzoeksvragen en dat deze worden bijgesteld op basis van nieuw gevonden gegevens of naar aanleiding van discussies over het onderzoek. Daarnaast leveren de samenwerking met Indonesische onderzoekers, de Wetenschappelijke Adviescommissie en de Maatschappelijke Klankbordgroep Nederland, en ook workshops, debatten en seminars nieuwe input op die in het onderzoek wordt meegenomen.
 

c. Waarom wordt er apart aandacht besteed aan de Bersiap-periode?
De Bersiap was een korte maar hevige periode van geweld aan het begin van de onafhankelijkheidsoorlog en maakt dus integraal deel uit van het onderzoekprogramma; onderzoek naar deze periode werd daarom ook al in het voorstel van 2012 bepleit. De Bersiap is in de Nederlandse context des te belangrijker gezien de grote vraag naar duidelijkheid over deze periode in de Indische gemeenschap. Bovendien is de Bersiap een complexe periode waarover nog steeds veel onduidelijkheden en mythes bestaan. In het onderzoek zal deze periode worden geplaatst in de bredere context van het machtsvacuüm en de gewelduitoefening in de eerste fase van de Indonesische revolutie en in de context van politieke ontwikkelingen die reeds vóór de Japanse bezetting in de koloniale samenleving plaatsvonden.
 

d. Hoe houden de onderzoekers contact met relevante groeperingen in de samenleving?
Er is een Maatschappelijke Klankbordgroep Nederland ingesteld waarin zeven Nederlandse koepelorganisaties zijn vertegenwoordigd die zijn gericht op herinnering en herdenking en/of op de Indische- en de Veteranengemeenschap. Met deze klankbordgroep vindt periodiek overleg plaats over opzet en uitvoering van het onderzoek, de te organiseren publieksactiviteiten en de reacties uit de samenleving. In overleg met Indonesische partners wordt momenteel bekeken hoe ook in Indonesië (en/of met Indonesische groeperingen in Nederland) van gedachten kan worden gewisseld over het onderzoeksprogramma.

e. Worden er lopende het onderzoek resultaten gedeeld?
Met enige regelmaat organiseert het programma publieksseminars en debatten, al dan niet in samenwerking met andere organisaties. Daarnaast zullen gedurende het onderzoek wetenschappelijke conferenties plaatsvinden, zowel in Nederland als in Indonesië. Zo zal in 2019 een internationale conferentie worden georganiseerd bij het NIAS (Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences) waarbij verschillende dekolonisatieoorlogen met elkaar worden vergeleken.

f. Hoe ziet de eindrapportage van het onderzoek eruit?
De meeste van de negen deelonderzoeken zullen in september 2021 resulteren in één of meer publicaties (zie hiervoor het werkprogramma.) De Nederlandse onderzoekers zullen veelal zowel in het Nederlands als het Engels artikelen en boeken publiceren. De Indonesische onderzoeksgroep zal eigen publicaties uitbrengen en samen met de Nederlandse collega’s bijdragen aan artikelenbundels.

Tevens zal een synthese van het onderzoeksprogramma worden gepubliceerd. Deze synthese is geen definitieve geschiedschrijving van de bestudeerde periode maar een samenvattende studie op basis van de belangrijkste bevindingen en resultaten van de deelonderzoeken. In de synthese zal worden getracht de belangrijkste vragen te beantwoorden over dekolonisatiebeleid, geweld en oorlog – met een focus op (de verklaring van) het Nederlandse militaire optreden. Hierbij zal ruime aandacht zijn voor de historische, politieke en internationale context en de nasleep van de oorlog. Over de inhoud van de synthese wordt door alle betrokken onderzoekers – ook de Indonesische – en de leden van de Wetenschappelijke Adviescommissie meegedacht en gediscussieerd; de synthese zal dus resultaat zijn van een collectief wetenschappelijk proces. De synthese wordt geschreven door KITLV-directeur Gert Oostindie en gepubliceerd in het Nederlands, Indonesisch en het Engels.

 

4. De samenwerking met Indonesië

a. Hoe ziet de samenwerking met Indonesië eruit?
Het gaat om een wetenschappelijke samenwerking tussen historici in Nederland en Indonesië. Het departement Geschiedenis van Universitas Gadjah Mada (UGM) in Yogyakarta speelt hierin een centrale rol. UGM heeft een Indonesische onderzoeksgroep gevormd, met wetenschappers van verschillende Indonesische universiteiten en uit verschillende regio’s. Deze onderzoeksgroep zal samenwerken met de Nederlandse onderzoeksgroep van de deelprojecten Geweld, bersiap, berdaulat - Transitie 1945-1946 en Regionale studies. De Indonesische onderzoekers stellen hierbij hun eigen onderzoeksagenda op. Zij zullen zelfstandig publiceren en daarnaast samen met de Nederlandse collega’s bijdragen leveren aan artikelenbundels. Ook de onderzoekers van de overige zeven deelprojecten werken op individuele basis samen met Indonesische collega’s.

b. Waar is meer informatie te vinden over de Indonesische onderzoekers en hun onderzoeksplan?
Op dit moment wordt in Indonesië het onderzoeksproject vormgegeven. Meer informatie hierover zal begin 2018 op de website te vinden zijn.
 

c. Hoe verhouden de Indonesische en Nederlandse onderzoeksagenda’s zich tot elkaar?
Zoals aangegeven is dit onderzoeksprogramma primair een Nederlands onderzoek met nadruk op het Nederlandse handelen in een brede context. Bij de deelprojecten Geweld, bersiap, berdaulat - Transitie 1945-1946 en Regionale studies, waarin Nederlandse en Indonesische onderzoekers samenwerken, zal zich naar verwachting een vruchtbare uitwisseling van bronnen, ideeën en perspectieven voltrekken. De Indonesische onderzoeksgroep stelt zijn eigen onderzoeksagenda op en is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. In het onderzoeksproces zal in alle opzichten intensief worden samengewerkt tussen wetenschappers in beide landen.

d. Wat is de meerwaarde van de samenwerking?
De meerwaarde van de samenwerking is dat bronnen en perspectieven vergeleken kunnen worden en een dialoog tussen Indonesische en Nederlandse historici over de periode 1945-1950 tot stand komt. Een gezamenlijke benadering en intensief onderling overleg zijn waardevol om elkaars zienswijze beter te begrijpen. Dit is essentieel voor een evenwichtige analyse van de complexe dekolonisatieperiode. Het uitwisselen en vergelijken van bronnen (zoals archieven, publicaties en getuigenissen) zal naar verwachting nieuw empirisch materiaal opleveren. Maar deze benadering zal ook de onderlinge dynamiek zichtbaar maken: hoe partijen van elkaar leerden (of niet), hoe indertijd de perspectieven op de gebeurtenissen verschilden en hoe dit achteraf werd vertaald in uiteenlopende historiografische tradities en sterk uiteenlopende processen van canonisering die tot op heden doorwerken.

5. Wat doen jullie met kritische dicussies en commentaren in de (social) media?

Kritiek kan ons wijzen op omissies en valkuilen en is dus altijd welkom. Dit houdt het programma en de onderzoekers scherp. De onderzoekers zullen daarom graag contact onderhouden met critici. Daarnaast houdt het onderzoeksprogramma voeling met de maatschappij met behulp van de Maatschappelijke Klankbordgroep Nederland en speelt het project Getuigen & Tijdgenoten een belangrijke rol bij het signaleren van vragen en eventuele onvrede bij de doelgroepen die zich betrokkenen voelen bij het onderwerp.

 

Links naar documenten