Dit deelproject van het onderzoeksprogramma Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 neemt als uitgangspunt dat vergelijkend onderzoek naar dekolonisatieoorlogen van essentieel belang is om het geweldsgebruik tijdens de oorlog in Indonesië beter te begrijpen. Hiertoe wordt in het kader van dit project een team van geselecteerde buitenlandse experts uitgenodigd.

In de afgelopen vijftien jaar, sinds het uitbreken van de oorlogen in Afghanistan en Irak, heeft het onderzoek naar bestrijden van gewapende opstanden (counter-insurgency) een hoge vlucht genomen. Zowel historici als militaire theoretici zijn daarbij opnieuw de ervaringen uit de golf van dekolonisatieoorlogen gaan analyseren. Vooral de conflicten in Maleisië (1948-1960) en Algerije (1954-1962) kregen hierbij veel aandacht, maar ook andere oorlogen zijn regelmatig opnieuw tegen het licht gehouden. De Nederlands-Indonesische ervaring is echter nog altijd sterk ondervertegenwoordigd in het internationaal onderzoek naar counter-insurgency en dekolonisatie. Pas zeer recent krijgt de oorlog in Indonesië ook in Engelstalig werk meer aandacht (zie bijvoorbeeld het werk van Luttikhuis en Moses, De Moor, Brocades Zaalberg en Scagliola), waardoor een vergelijking beter mogelijk wordt.

Toch kan nog veel geleerd worden van een meer systematische vergelijking waarbij de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog centraal staat. Hiermee draagt dit project zowel bij aan ons begrip van de schaal van het extreme geweld en de wijze waarop het werd toegepast als van de motieven erachter en de voorwaarden waaronder een dergelijke ontsporing kon plaatsvinden. Door het Nederlands koloniaal geweld in een vergelijkende context te bestuderen ondergraaft het onderzoek ook het nog altijd wijdverbreide geloof dat Nederland een vreedzamer kolonisator zou zijn dan andere landen, en dat de Nederlandse natie bovendien een lange anti-militaristische traditie zou hebben. Dit project zal onder meer bijdragen aan het analytische kader voor zowel de synthese van het programma als aan de andere deelprojecten binnen het onderzoeksprogramma.

Met dit doel wordt de Indonesische casus in detail vergeleken met een aantal andere casussen met vergelijkbare karakteristieken, zoals de zogenaamde Malayan Emergency (1948-1960), de oorlog in Indochina (1945-1954), de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962) en de Britse bezetting van Nederlands-Indië (1945-1946). Maar ook andere dekolonisatieconflicten en burgeroorlogen worden in de analyse betrokken. Buitenlandse experts laten hun licht schijnen op de Indonesische casus, om zo beter te kunnen beoordelen in welke aspecten het Nederlands-Indonesische conflict al of niet uniek is. Deze experts zijn onder andere geselecteerd op basis van hun empirische expertise in één van de bovengenoemde casussen, gecombineerd met hun ervaring met meer generaliserend onderzoek naar (burger)oorlogen, dekolonisatie, en extreem geweld. Hun perspectief wordt verder aangevuld met bijdragen van andere externe experts door middel van seminars en een afsluitende conferentie. De geselecteerde experts wordt in het bijzonder gevraagd om te identificeren welke aspecten van de oorlog in Indonesië tot op heden mogelijk over het hoofd zijn gezien, om zo het Nederlandse geweldsgebruik in de context te plaatsen van de dekolonisatieoorlogen die min of meer gelijktijdig woedden. Dit vergelijkend onderzoek zal uitgevoerd worden door het opzetten van internationale onderzoeksgroep aan het Netherlands Institute for Advanced Studies in the Humanities and Social Sciences in Amsterdam (NIAS-KNAW).

De onderzoeksgroep wordt gecoördineerd door Thijs Brocades Zaalberg, met medewerking van Bart Luttikhuis, en met intensieve bijdragen van onderzoekers uit de andere deelprojecten van dit onderzoeksprogramma. De namen van de buitenlandse experts worden later bekendgemaakt.