Ruim zeventig jaar na het beëindigen van de dekolonisatieoorlog besloot het kabinet-Rutte II in 2016 geld beschikbaar te stellen voor een wetenschappelijk onderzoek naar dat conflict. Dat is rijkelijk laat te noemen. Dat geldt eveneens voor het besef van Nederlandse zijde dat in die oorlog regelmatig gebruik is gemaakt van geweld dat in strijd was met internationale verdragen die toen al van toepassing waren. Terwijl in de jaren 1945-1949 ook in Nederland berichten circuleerden over dat geweld, trad daarover vanaf 1950 in het publieke domein een stilte in die pas in 1969, met de getuigenissen van veteraan Joop Hueting, tijdelijk werd doorbroken. Na publicatie van de daaropvolgende Excessennota keerde de stilte terug.

Die vertraagde en schoksgewijze opname en doorgave van de pijnlijke kanten van die oorlog is zichtbaar op meerdere terreinen. Pas in de jaren zeventig en tachtig verschenen enkele historische studies die de oorlog tot onderwerp hadden. Serieuze aandacht van de overheid voor de noden van Indië-veteranen kwam pas eind jaren tachtig van de grond. In 1988 werd het monument voor de zesduizend in Indonesië en Nieuw-Guinea gesneuvelde soldaten onthuld. Het geschiedenisonderwijs worstelde lange tijd met de gebeurtenissen van 1945-1950; onderzoek uit 2017 wees uit dat in de teksten in het lesmateriaal nog geen ruimte is voor het Indonesische perspectief en het extreme geweld.

Het is, kortom, opmerkelijk dat een in de Nederlandse koloniale geschiedenis en ook in de Indonesische geschiedenis zo ingrijpende oorlog tot 1969 nauwelijks deel heeft uitgemaakt van de collectieve herinnering en nationale historiografie. Dit deelonderzoek over de nasleep van de dekolonisatieoorlog tracht antwoord te geven op de vraag hoe dat proces van bewustwording en verwerking van extreem geweld is verlopen en waarom dit proces op tal van terreinen zo traag verliep.

De veronderstelling van dit deelproject is dat toonaangevende Nederlanders in verschillende voor de historische bewustwording relevante sectoren deze pijnlijke geschiedenis van extreem geweld veelal negeerden, verzwegen, onderzoek daarnaar belemmerden dan wel ontmoedigden of zelfs, in een enkel geval, hielpen geheim te houden. Deze veronderstelling wordt onderzocht en getoetst, waarbij wordt gezocht naar de motieven van de hoofdrolspelers. Ook wordt de trage en schoksgewijze ontwikkeling van de bewustwording van die oorlog beschreven.

De hoofdvraag van dit onderzoek is hoe van 1950 tot 2017 in verschillende Nederlandse geledingen/sectoren van de samenleving is omgegaan met de vaststelling van de feiten rond de gevoerde oorlog van 1945-1949 in Indonesië en het daarbij gehanteerde excessieve geweld, en hoe de herinnerings- en herdenkingscultuur ten aanzien van deze oorlog zich heeft ontwikkeld.

Daarbij horen vragen naar de belangrijkste actoren (woordvoerders of representanten) binnen geledingen/sectoren en instituten, hun standpunten en hun invloed op de beschikbaarheid van bronnen en het al dan niet initiëren van een maatschappelijk en/of wetenschappelijk debat over dit deel van de Nederlandse postkoloniale geschiedenis. De belangrijkste sectoren en hun actoren/vertegenwoordigers die in dit onderzoek worden belicht zijn, de politiek (bewindslieden en Kamerleden), de krijgsmacht (militairen en veteranen), historici, journalisten en overige deelnemers aan het publieke debat (onder wie schrijvers, museumdirecteuren), de Nederlands-Indische en Molukse gemeenschappen, zending en missie en het onderwijs (docenten).

Voor al deze segmenten in de Nederlandse samenleving wordt onderzocht wat zij hebben gedaan, of wellicht nagelaten, om de feiten over de oorlog, en met name die betreffende extreem geweld, publiekelijk aan de orde te stellen.

Nederland stond niet alleen in die vertraagde verwerking en de neiging om voor de ongemakkelijke feiten weg te lopen. Daarom worden in deze studie vergelijkingen getrokken met postkoloniale verwerkingsprocessen in andere landen, in het bijzonder Frankrijk en Groot-Brittannië. Ook zal de wisselwerking worden besproken tussen de verwerking van de oorlog en de bilaterale relaties tussen Nederland en Indonesië.

Dit project wordt uitgevoerd door: Meindert van der Kaaij