Eén van de grote problemen van de bestaande historiografie van de dekolonisatieoorlog en de Indonesische Revolutie is het gebrek aan onderlinge verbinding tussen de onderzoekstradities in beide velden en in het bijzonder het gebrek aan dialoog tussen Indonesische en Nederlandse historici. In dit deelproject ‘Regionale studies’ wordt getracht juist die verbinding te leggen. Indonesische en Nederlandse historici beogen nieuw licht te werpen op deze episode - in intensief onderling overleg en op basis van archieven, publicaties en getuigenissen verzameld en onderzocht in beide landen en voor zover relevant ook elders. Het onderzoeken en onderling vergelijken van deze bronnen zal, zo is de veronderstelling, niet alleen nieuw empirisch materiaal beschikbaar doen komen, maar ook duidelijker maken wat de onderlinge dynamiek was, hoe partijen van elkaar leerden (of niet), en hoe indertijd de perspectieven op de gebeurtenissen verschilden en hoe dit achteraf werd vertaald in uiteenlopende historiografische tradities en sterk uiteenlopende processen van canonisering, die tot op heden doorwerken.

De leidende vraag in dit project betreft het verband tussen (in)stabiliteit van lokaal gezag en vormen en omvang van geweldsuitoefening gedurende de gehele periode 1945-1950. Uitgangspunt daarbij is dat het gezag in sommige perioden en in specifieke delen van de archipel fluïde was. Grote delen van de archipel stonden, althans tot de twee zogenoemde politionele acties, onder Republikeins gezag. Weliswaar breidde Nederland zijn nominale gezag gestaag uit, maar gezien het beperkte reële bereik van de eigen troepen en het bestuurlijke gezag was er vaak sprake van een min of meer schaduwgezag, uitgeoefend door de Republiek Indonesië en/of andere antikoloniale groeperingen die soms wel, soms juist niet onderling samenwerkten. Militaire en civiele gezagsuitoefening was daarom vaak omstreden en fragiel, maar in verschillende gebieden en verschillende periodes telkens op andere manieren; de vraag is welke gevolgen dit had voor aard en niveau van geweldsuitoefening over en weer en voor het beleid hieromtrent bij alle betrokken partijen. Werd op regionaal niveau serieus gestreefd naar beteugeling van massageweld, werd dit geaccepteerd als gezien de omstandigheden onvermijdelijk, of zelfs aangemoedigd als doeltreffende strategie? Was het lokale gezag – Nederlands, Republikeins of anderszins – überhaupt in staat zulke keuzes te maken?

De brede hoofdvraag luidt: Wat was, gedurende de gehele periode 1945-1950, in een aantal specifieke delen van de archipel, het verband tussen (in)stabiliteit en kracht van lokaal gezag en vormen en omvang van geweldsuitoefening? Hieruit vloeien verschillende deelvragen voort die in de loop van  het onderzoek verder zullen worden ontwikkeld. Een cruciale factor daarbij, zo is het uitgangspunt, is de mate waarin en wijze waarop het gezag lokaal gevestigd en geaccepteerd, dan wel omstreden was. Allereerst dient te worden vastgesteld hoe en in welke mate het (Nederlandse of Indonesische) gezag zich onder verschillende omstandigheden effectief wist te vestigen. Vervolgens, of er sprake is van een duidelijk verband tussen verschillende vormen van gezag(sverdeling) en de omvang van geweldsuitoefening aan beide kanten. Tenslotte, of het geconstateerde gebruik van (buitensporig) geweld tegen gewapende tegenstanders en burgerbevolking al dan niet moet worden toegeschreven aan bewust ingezette strategieën van gebiedsbeheersing. In de keuze van te bestuderen regio’s zal worden gestreefd naar een brede dekking van variabelen, in het bijzonder inzake de vraag welke partij(en) een al dan niet langdurig gezag wisten te vestigen.

Dit project wordt uitgevoerd door: Roel Frakking, Martijn Eickhoff, Hans Meijer, Ireen Hoogenboom, Anne-Lot Hoek en Anne van der Veer.
Stagiairs: Emma Keizer en Fynn Franke