Vervolging van misdrijven begaan in oorlogstijd wordt veelal geassocieerd met tribunalen na afloop van de oorlog. Gedurende de strijd speelt de berechting van misdrijven en overtredingen echter ook een belangrijke rol. Bestraffing van misdrijven kan genoegdoening geven, het zuiverend vermogen en de discipline van de betrokken partijen stimuleren en een afschrikwekkende werking hebben. Omgekeerd kan het nalaten ervan eigenrichting in de hand werken en bepaalde remmingen wegnemen. Dit geldt zowel voor de ‘eigen’ militairen als voor de tegenstander.

Het militair-justitiële apparaat had tot taak de overtredingen en misdrijven te onderzoeken en, indien dat nodig werd geacht, te bestraffen. In deze studie staat daarom het handelen van het militair-justitiële apparaat centraal en met name hoe het Nederlandse, en waar mogelijk Indonesische, militair-justitiële apparaat is omgegaan met ‘extreem geweld’ en andere overtredingen van het oorlogsrecht, zoals moord, brandstichting, marteling, verkrachting en plundering. Maar ook andere misdrijven en overtredingen, zoals desertie en bevelsweigering aan beide zijden krijgen aandacht. Problematisch was echter dat de Nederlandse commandanten en krijgsraden zo gezegd ‘hun eigen vlees keurden’. De leden van de krijgsraad waren namelijk voornamelijk militairen uit de eigen gelederen. In hoeverre kon de militaire justitie zich als onderdeel van het militaire apparaat losmaken van militaire en operationele belangen?

Om te bepalen welke factoren het handelen van het militair-justitiële apparaat hebben beïnvloed, worden onder meer de organisatiestructuur, de verhoudingen tot de politieke en militaire leiding en de achtergrond van de leiding en het personeel van het militair-justitiële apparaat tegen het licht gehouden. Welke opleiding en ervaring hadden hen gevormd en welke kennis hadden zij van de destijds geldende wetten en het oorlogsrecht? Ook wordt bezien in hoeverre die normen en opvattingen in de praktijk door het militair-juridisch apparaat werden gehanteerd en hoe dat handelen heeft uitgewerkt op het moreel van de troepen aan beide zijden en het verloop van de strijd. Uiteindelijk hoopt het onderzoek een antwoord te geven op de vraag in hoeverre het ingrijpen (of het nalaten daarvan) van het militair-juridisch apparaat heeft geleid tot een toename van (extreem) geweld tijdens de dekolonisatieoorlog.

Dit project wordt uitgevoerd door: Esther Zwinkels