Daar stond ze als 21-jarige verpleegster aan boord van dat grote zeeschip, keurig in uniform. Samen met de andere vrijwilligsters van het Rode Kruis moest Constance Iemhoff salueren voor de jonge officieren tegenover haar. ‘Daar hadden we ook les in gehad, waar we als meisjes vreselijk om moesten lachen.’ Na het saluut stapte de militair tegenover de verpleegster ook naar voren en noemde zijn naam. Eén van hen was tweede luitenant Arend Groen, als lid van de scheepspolitie medeverantwoordelijk voor de goede zeden aan boord…

Door Ewout van der Horst

Meer dan 70 jaar na dato begint mevrouw Groen-Iemhoff wat te giechelen als ze belt naar aanleiding van een oproep voor ooggetuigen van de dekolonisatiestrijd in Indonesië. Ditmaal geen pijnlijke herinneringen of verhalen vol bravoure, maar een ontboezeming over een romance aan boord van de Kota Inten, het schip waarmee de hoogbejaarde dame in 1947 naar Indonesië voer. 

Als leerling-verpleegster in het Julianaziekenhuis in Apeldoorn meldde ze zich bij het Rode Kruis als vrijwilligster voor werk op een hospitaalschip. Met 1600 dienstplichtigen begon ze aan de lange zeereis naar Indië, om daar zieke en gewonde militairen op te pikken. Op de heenreis hadden de verpleegsters weinig te doen. Als kersverse sergeant was het ze verboden op het voor- en achterdek bij de soldaten te komen. Ze mochten alleen contact hebben met de officieren.  

‘Ja, wij werden een beetje voor de officieren apart gehouden’, erkent Constance tijdens een nader gesprek. ‘We zaten wat bij elkaar of gingen tafeltennissen. Toevallig zag ik mijn man wat vaker. Op het laatst zei hij tegen mij: “Ik heb een sloep ontdekt en daar kunnen we vanavond gezellig achter zitten. Dan haal ik wat te drinken. De anderen hebben dat niet in de gaten.” Nou, dat vond ik wel leuk natuurlijk. Ik vond hem heel aardig. We zaten daar heel mooi. Mijn vader had tegen mij gezegd: “Denk erom: als je een jongen kust is dat een belofte voor de toekomst.” Ik heb mijn man aan boord geen kus gegeven.’

Na vier weken kwamen ze in Indonesië aan. ‘Toen ik in Sabang van boord mocht, ging mijn man ook van boord. We hebben samen een wandelingetje gemaakt. Nou, dat vonden we leuk. Dat was heel gezellig.’ In Soerabaja moest het jonge stel afscheid nemen. Vervolgens moest Constance in Batavia het schip helpen schoonmaken en ombouwen tot hospitaalschip. De terugweg verliep heel wat minder aangenaam: ‘Er kwamen allemaal gewonde en zieke jongens aan boord. We hadden ook een jongen aan boord met tropenkolder. Dat is iets vreselijks. Zo’n jongen gaat gezond heen en komt totaal gek weer aan boord.’

Haar geliefde bleef in Indonesië achter. ‘Mijn man is drie jaar weggebleven’, stelt Constance. ‘Dat is lang hoor! Maar ik had van huis uit meegekregen: “Een man een man, een woord een woord.” Als je iets belooft, dan moet je dat nakomen.’ Natuurlijk maakte ze zich zorgen over hem, maar ze probeerde bij de dag te leven. ‘Hij schreef nooit over gevaarlijke dingen, dus ik dacht: “Hij zit daar in een rustige omgeving.” Later zag ik wel foto’s van een gesneuvelde jongen, dus daar zijn ook wel hele nare dingen gebeurd.’

In 1951 kwam hij eindelijk terug. Een half jaar later hebben Arend en Constance zich verloofd. In 1953 kregen ze hun felbegeerde woning in Capelle aan de IJssel en traden ze in het huwelijk. Veel medepassagiers van de reis naar Indonesië bezochten de bruiloft. Hun nieuwbouwwoning kreeg een toepasselijk naambord aan de gevel: Kota Inten.

 

Ewout van der Horst is werkzaam als historicus bij stichting IJsselacademie.

22-08-2019